Sla over naar de inhoud

Kort verhaal: de creatieve vlucht

Een klein vogeltje fladdert door mijn lichaam. Hij vliegt via mijn buik naar mijn schouder, door mijn rechterarm naar mijn hand, en keert om in mijn middelvinger. Daarna gaat hij terug omhoog, en vindt hij zijn weg naar mijn borst. Even zit de vogel stil in mijn nek, me nieuwsgierig bestuderend, om onverwacht vrolijk tsjilpend zijn vlucht door mijn lijf te vervolgen. Ik kijk er lachend naar. Voor een tijdje laat ik het rondfladderen, maar even later kan ik verleiding niet weerstaan om het proberen te vangen. Het gaat ongemakkelijk, met vallen en opstaan, als een klein kind dat op een vlinder jaagt.

Het lukt niet. Het diertje is te snel, te behendig. Mijn pogingen worden steeds krampachtiger, en al snel vind ik het spelletje frustrerend worden. ‘Kom hier,’ zeg ik ongeduldig. Het vogeltje gaat op mijn schouder zitten, van waar het me met een scheef kopje nieuwsgierig aankijkt. ‘Waarom wil je me vangen?’ lijkt het me te willen vragen. ‘Wat wil je met me doen? Me in een kooitje stoppen? Denk je dat ik dan nog hetzelfde zal zijn?’

Ik negeer zijn vragen, wend mijn blik af en schud kort met mijn hoofd. ‘Natuurlijk blijf je hetzelfde,’ fluister ik. Maar dat is een leugen die ik mezelf graag vertel. Ik wil het vogeltje vangen omdat ik geloof dat hij de antwoorden heeft. Dat ik dit niet met zekerheid kan zeggen, negeer ik.

Langzaam open in mijn handpalm. Ik kijk hoe mijn vingers zich uitspreiden en hoe er een klein, maar solide platform ontstaat. Een platform voor het vogeltje. Zo onopvallend mogelijk kijk ik van uit mijn ooghoek naar het beestje, dat inmiddels bovenop mijn hart is gaan zitten. Kom op, vogeltje, denk ik bij mezelf. Een klein sprongetje maar. Alsjeblieft. Ik heb je nodig.

shutterstock_219276157

De vogel lijkt te worden verleid door mijn handpalm: de plek van waar ik dingen maak, creaties ontstaan, waarmee ik dingen doe. Het zijn magische ledematen, handen. Ik weet dat de vogel dat weet, en ik onderdruk een grijns als het diertje uiteindelijk zijn vleugels uitslaat.

Maar hij fladdert snel over de palm van mijn hand heen, en mijn huid wordt even gekieteld door een korte aanraking van zijn pootjes, en de kleine windvlaag van zijn vleugels. Hij landt bovenop mijn maag en kijkt me weer even nieuwsgierig aan. Dan zingt hij plotseling een mooie melodie, dat klinkt als de hypnotiserende tonen van een Japanse fluit. Ik sluit mijn ogen en luister. Ik hoor geen pesterij in zijn stem, niets gemeens, alleen schoonheid, oprecht bedoeld om mij te betoveren. Ik giechel, maar ondanks dat ik weet dat zijn plagerijen liefdevol bedoeld zijn, en hij mij alleen zijn schoonheid wil laten zien, weet ik ook dat het een slapeloze nacht gaat betekenen.

Ik slaak een diepe zucht en kijk het vogeltje na, dat terug fladdert naar mijn hart. Even staart hij me doordringend met zijn kraaloogjes aan, en dan verbergt hij zijn kopje in zijn veren. Even overweeg ik hem te vangen, maar dan weet ik dat het vogeltje alleen maar is gaan rusten omdat hij weet dat ik niets zal doen. Hij weet dat ik weet dat hij gelijk heeft. Want wat als ik hem heb gevangen en hij niet meer hetzelfde zal zijn? Wat als hij niet de antwoorden heeft? Of nog waarschijnlijker: wat als ik opeens aan zijn antwoorden ga twijfelen? Onrustig wrijf ik over mijn gezicht.

‘Zit eens stil,’ zegt Max, mijn huisgenoot, terwijl hij opkijkt van zijn boek. Ik kijk hem aan. ‘Je bent de hele avond al aan het heen-en-weren.’
‘Dat lukt niet,’ antwoord ik.
‘Waarom niet?’
‘Ik word geplaagd.’
‘Door wie?’
‘Creativiteit.’
‘Gewoon laten gaan,’ antwoordt hij.
‘Maar ik moet schrijven!’
‘Waarom?’
‘Omdat het in me rondfladdert. Omdat het er ís.’
‘Gewoon laten vliegen,’ reageert hij.
‘Maar hij ís er! Hij zingt!’
‘Begrijp je zijn liederen?’
Ik schud mijn hoofd.
‘Dat bedoel ik. Hij komt wel thuis als hij er klaar voor is.’

Met een zucht sta ik op en maak ik mezelf klaar om naar bed te gaan. Ik val snel in slaap en droom over Japanse fluiten. Als ik de volgende ochtend wakker word, luisterend naar mijn ademhaling, voel ik de kleine nageltjes van het vogeltje op mijn handpalm. Ik sluit mijn ogen en het diertje begint te zingen. Ik doe geen poging hem te vangen, maar luister nauwkeurig. En opeens begrijp ik zijn melodie, zijn zang, en als ik even later achter mijn computer ga zitten, vloeien de woorden uit me alsof ik dat vogeltje ben, en me mee laat voeren door de thermiek in de hemel.

Gepubliceerd inKorte verhalenPsychologie & creativiteit

5 Reacties

  1. Mirjam Mirjam

    zucht! Mooi!

  2. Charlotte Hendriks Charlotte Hendriks

    Prachtig mooi verwoord! Hoe iets kleins zo groot kan zijn!

  3. Mooi verwoord, mooi geschreven!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *