Sla over naar de inhoud

Kort verhaal: Duistere mist

Zo stil en als een schim en zo koud als een schaduw glijdt hij over mij heen. Als een zucht voel ik zijn kilte in mijn nek. Ik huiver, en de haartjes op mijn arm schieten overeind. Hij gaat naast me zitten. De ritmische wielen van de trein trommelen in mijn oren, schommelend op de rails. Te gestaag, te gemakkelijk, alsof hij er niet is. Ik sluit mijn ogen.

‘Hoi.’

Mijn maag knijpt zich samen. Negeer hem, zeg ik tegen mezelf. Geen aandacht aan hem besteden. Ik slik en wend mijn hoofd af. Ik kijk  de andere kant op, naar een jonge vrouw. Haar huid is donker, haar ogen glimmen en ze grijnst naar haar telefoon. Een grappig smsje van een vriendin, misschien? Wat stom, wat onzinnig. Ze moet wegwezen. Het is gevaarlijk hier. Als ze het toch eens kon zien. photo_802_20060112 ‘Ze gaat dood,’ fluistert hij in mijn oor. Ik knijp mijn ogen dicht. Houd je kop, denk ik bij mezelf. Ga weg, laat me met rust. Maar hij negeert me. ‘Misschien niet vandaag, misschien niet morgen, maar ooit, gaat zij dood. Ze zal van mijn beste vriend zijn, en mensen zullen huilen, schreeuwen, kapot gaan van de pijn.’ Hij glimlacht.

Ik bijt op mijn onderlip. Niets tegen hem zeggen, zeg ik tegen mezelf. Negeer hem, dan gaat hij vanzelf weg. Dat moet wel. Maar hij schuift iets dichterbij, en even ben ik bang dat ik door zijn schaduw zal worden verzwolgen. Hij drukt zich tegen me aan, en laat zijn scherpe nagel langs de binnenkant van mijn maag glijden. Scherp, venijnig, maar nog niet op volle kracht. Ik druk mijn kaken op elkaar, probeer niet te kreunen van de pijn. Gun hem de voldoening niet, zeg ik tegen mezelf. Houd je in, Je kunt dit best aan. Je weet dat dit nog wel mee valt. Je weet dat dit slechts het begin is. Hij plaagt mij alleen maar. Een zachte kreun ontsnapt aan mijn lippen.

Hij schuift een klein stukje van mij af, zelfvoldaan misschien, en laat zich een beetje onderuit zakken.  Ik knipper een paar keer met mijn ogen, alsof ik de donkere mist waarmee hij mijn wereld heeft besmet, daarmee kan laten verdwijnen. Maar het werkt niet, het lukt niet. Ik wil naar adem happen, maar zijn klauw zit nog om mijn nek, en ook dat mislukt. Er komt een waterige waas voor mijn ogen, en ik slik. Hij ziet het. Zijn lach dreunt in mijn oren, kruipt over mijn huid. Wat doe je hier? Hadden wij geen afscheid genomen? Waarom kom je terug?  Waarom zo snel? Waarom laat je me niet met rust?

‘Heb je me niet gemist?’ vraagt hij dan zachtjes. ‘Ben je het soms vergeten? Wij horen bij elkaar.’ Hij glimlacht. Ik draai mijn hoofd af.

‘Ik zal gaan,’ fluistert hij. ‘Voor nu. Tot de volgende keer.’

Als een donkere wolk die oplost in een heldere hemel verdwijnt hij, en ik vul mijn longen dankbaar met zuurstof. Maar zijn aanwezigheid blijft hangen, na sidderen, als kolen in het vuur. Wonend tussen de kieren van de bakstenen, onder de achterbank van auto’s en in de vensters van de kozijnen, sluipend door duistere steegjes, snellend over autowegen en zich verstoppend in de naden van de straat, is er geen ontsnappen aan. Hij is een hongerig beest. Dit is zijn territorium. Dit is zijn thuis. Ik ben zijn prooi, en het jachtseizoen is geopend.

Gepubliceerd inKorte verhalen

Laat als eerste een reactie achter

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *