Sla over naar de inhoud

Tussen mijn oren

Ik wist het wel. Serieus, ik wist het.  Zij praatte het uit mijn hoofd. Zij. Maar ze had het fout. Hoe kon ze nou denken dat ik er naast zat. Waarom geloofde ze me niet? Misschien als ik er eerder bij was geweest, misschien was het dan niet te laat geweest. Maar ze dacht dat ik overdreef. Ik hoor het haar nog zeggen: ‘Maak je niet druk, Tom. Er is niets aan de hand. Het zit tussen je oren.’ Maar ik wist het wel. Ik ben geen aansteller.

De klok knabbelt aan de secondes, een, twee, drie, zonder ophouden, steeds minder tijd. Een bundeltje zon reikt via het raam naar zijn agenda tot ze hem helemaal te pakken heeft. Hebberig, begerig. Zijn ogen zijn opvallend blauw, zijn blik versmelt met de mijne, vol met iets zachts, iets gezapigs. Gedempte stemmen klinken op de gang. Een lach drukt zich door de deur, schaamteloos.

Zes maanden. Wat moet ik doen? Bungeejumpen? Skydiven? Of reizen, misschien? Azië zien? Misschien helpt het als ik tempels bezoek. Ik moet een boek over de Dalai Lama kopen. Misschien heeft hij de antwoorden, kan ik mezelf ook wel Verlichten. Heet dat zo? Jezelf Verlichten?

Stoelpoten schrapen over de vloer. Zijn gestalte komt overeind.  Zijn hand is koud. IJskoud. Zo koud als een lijk. Ha! Ik moet gaan. Maar eerst moet ik Astrid bellen. Wat moeten we doen? Zwanger worden? Moet ik haar zwanger maken? Iemand nalaten. Dan blijft er nog iets van mij over. Ook voor Astrid. Anders is ze helemaal alleen. Eentje kan. Eentje voordat ik oversteek. Die grens over. Naar het licht. De duisternis in. Maar eerst moet ik haar zeggen dat ik het wist. Dat ik wist dat het niet tussen mijn oren zat.

Gepubliceerd inBlogKorte verhalen

Laat als eerste een reactie achter

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *